< Meer nieuws

Syndromale multiplex PCR voor gastro-enteritis diagnostiek

21.03.2019

Na en in overleg met de diensten gastro-enterologie en pediatrie gaat de dienst laboratoriumgeneeskunde vanaf 21/03/2019 een diagnostisch zorgpad ‘gastro-enteritis’ in gebruik nemen.

Dat betekent dat we volledig overschakelen op PCR-onderzoek voor patiënten met acute diarree, waarbij we in één tijd de 14 meest voorkomende en/of belangrijkste pathogenen (viraal, bacterieel en parasitair) opsporen.

Daarmee zijn we – to the best of our knowledge - het tweede ziekenhuis in België dat deze praktijk invoert (na het GZA, dat deze flow al in 2014 implementeerde)  .

Qua diagnostiek is PCR-onderzoek op veel vlakken superieur aan conventioneel onderzoek, met als belangrijkste voordelen dat PCR-diagnostiek veel sneller en gevoeliger is.

Hiermee volgen we ook Nederlandse richtlijnen die aangeven dat ‘indien PCR beschikbaar is’ deze de voorkeur heeft boven de conventionele methode ‘gezien de betere testeigenschappen’ (NHG standaard acute diarree).

Omdat met PCR geen gevoeligheidsbepaling kan worden uitgevoerd, zullen stalen die positief testen op bacteriën opgekweekt worden om een resistentiebepaling te kunnen uitvoeren.

 

Er zijn twee manieren om fecesdiagnostiek aan te vragen. Het onderscheid is belangrijk!

 

- “Diagnostiek infectieuze gastro-enteritis”:

Dit is de klassieke flow, waarbij Clostridium difficile (waarvan we weten dat asymptomatisch dragerschap geen zeldzaamheid is!) alleen wordt geantwoord wanneer enkel deze bacterie gedetecteerd wordt en het toxine ook aangetoond kan worden.

 

- “Antibiotica-geassocieerde diarree”:

Deze flow dient gevolgd te worden bij een klinisch vermoeden/mogelijkheid van een Clostridium difficile infectie (ziekenhuissetting, waterige diarree, voorafgaand antibioticagebruik).

Omdat de klinische achtergrond hier al wijst in de richting van C. difficile geassocieerde diarree, wordt het C. difficile resultaat sowieso geantwoord, evenwel zonder toxinebepaling.

 

Belangrijk om weten: voor deze test wordt 15 euro aangerekend aan de patiënt (informed consent!).

 

De belangrijkste analytische, klinische en interpretatieve informatie werd hieronder verzameld.

 

Aanbevolen gebruik:

Snelle detectiemethode van 14 fecespathogenen op feces van patiënten met een klinisch vermoeden van infectieuze gastro-enteritis.

 

De 14 pathogenen zijn:

Bacteriën:

  • Shigatoxine producerende E. coli (= VTEC, STEC, EHEC)
    Campylobacter species (C. coli, C. jejuni, C. lari)
    Toxicogene Clostridium difficile
    Shigella species
    Salmonella enterica
    Yersinia enterocolitica

 

Virussen:

  • Norovirus
    Rotavirus
    Adenovirus
    Astrovirus
    Sapovirus

 

Parasieten:

  • E. histolytica
    Cryposporidium species
    Giarida lamblia

 

Methode:

Semi-kwantitatieve, real-time PCR.

 

Stalen:

Voorkeursstaal: feces in een pot met schroefdop.

 

Verzendinstructies:

Stalen dienen onmiddellijk naar het labo verzonden te worden.  

In afwachting van verzending moeten de stalen bewaard worden op koelkasttemperatuur (max. 72 uur). Bewaring op kamertemperatuur moet vermeden worden omdat de staalkwaliteit snel achteruit gaat waardoor de detectie van sommige pathogenen in het gedrang komt. Indien transport langer op zich laat wachten moeten de stalen onmiddellijk ingevroren worden (bij -21°C).

 

Minimale hoeveelheid staal:

Erwtgrote hoeveelheid feces (1g).

 

Aan te vragen test:

De test kan op twee manieren aangevraagd worden:

1) Gastro-enteritis diagnostiek (PCR)

2) AB geassocieerde diarree

 

Het eerste panel dient aangevraagd te worden wanneer er geen klinisch vermoeden is van een Clostridium difficile problematiek in het kader van recent antibioticagebruik. Een positieve Clostridium difficile zal evenwel toch geantwoord worden indien de patiënt ouder is dan 2 jaar, Clostridium difficile de enige test is die positief blijkt én toxineproductie aangetoond kon worden.

 

Het tweede panel dient aangevraagd te worden bij een klinisch vermoeden van antibioticageassocieerde diarree/Clostridium difficile problematiek. Bij deze test wordt Clostridium difficile steeds geantwoord, maar wordt geen bevestigende toxinebepaling uitgevoerd omdat de klinische context hier samen met de detectie van de kiem de diagnose bevestigt. De sensitiviteit van de toxinetest bedraagt 87,8% (95% betrouwbaarheidsinterval: 81,4-92,3).

 

Antwoordtijd:

Stalen die het labo bereiken op weekdagen: resultaat beschikbaar < 24h.

Stalen die het labo bereiken op weekenddagen: resultaat op maandag.

 

Klinische informatie:

- Shigella:

De aanwezige primers detecteren alle Shigella species en ook enkele EIEC (enteroinvasieve E. coli).

Shigella is wereldwijd de grootste oorzaak van bacteriële diarree, maar vormt vooral een probleem in derdewereldlanden en heel wat minder in het Westen. In Azië en Afrika is het de meest voorkomende oorzaak van ernstige diarree bij kinderen. Shigella is over het algemeen zelflimiterend (symptomen blijven gemiddeld 7 dagen bestaan). Zonder AB blijven de patiënten nog 6 weken lang de kiem verspreiden. Een gecompliceerde gastro-enteritis (bacteriëmie en colonobstructie of perforatie) is zeldzaam bij volwassenen. Shigella species zijn minder gevoelig aan zuren en overleven dus de maag: zeer klein inocolum nodig (10-100!), maw zeer gemakkelijk over te dragen. Er bestaat enkel een menselijk reservoir. Binnen het genus bestaan S. dysenteriae (serogroep A), S. flexneri (B), S. boydii (C) en S. sonnei. S. dysenteriae kan HUS veroorzaken door het shigatoxine Stx, wat niet te onderscheiden is van het Stx1 en Stx2 van STEC. Sommige S. flexneri en S. sonnei produceren hetzelfde Stx en kunnen dus in theorie ook HUS veroorzaken, maar er zijn tot op heden geen rapporten over verschenen. De relatie tussen HUS en AB-gebruik is bij Shigella veel minder duidelijk dan bij EHEC (bovendien is EHEC een veel belangrijker oorzaak van HUS). Antibioticaresistentie is een probleem, dus steeds afgaan op ABgram. Empirisch best FQ of ceftriaxone, maar: ongecompliceerde enterocolitis is geen indicatie voor AB!!

 

- STEC:

Dit zijn E. coli’s die in staat zijn om het shigatoxine te produceren (Stx) en die de typische bijhorende bloederige diarree veroorzaken; HUS is een belangrijke complicatie bij kinderen.  Niet enkel O157:H7 is een probleem. Het klinisch beeld van een STEC infectie bestaat uit bloederige diarree (zichtbaar), leukocytose in bloed, abdominale pijn, meestal weinig tot geen koorts. Nierfalen (HUS), hemolytische anemie en thrombopenie verschijnen typisch 5-10 dagen na begin van de symptomen. Behandeling is supportief. AB zijn hier absoluut te mijden: ze veranderen de loop van de ziekte niet en verhogen het risico op HUS. Het shigatoxine is één van de meest krachtige bacteriële toxines. Er bestaan twee toxines, Stx1 en Stx2. Beide toxines hebben eenzelfde toxisch werkingsmechanisme, maar zijn antigenisch verschillend.

 

- Salmonella entericia:

Salmonella kent maar één species: Salmonella enterica (om helemaal correct te zijn: sinds kort ook een tweede species, Salmonella bongori). Dat species kent wel >2500 serotypes (serotype = serovar), waarvan de serovarnaam vaak als speciesnaam gebruikt wordt. Dit is taxonomisch niet correct, maar in epidemiologische setting en voor de clinicus praktisch wel bruikbaarder. Buiktyfus wordt veroorzaakt door Salmonella Typhi en S. Paratyphi, het is een ernstig ziektebeeld met bacteriëmie, diarree en hoge koorts. Sporadisch komt nog eens een S. Typhi voor in België, terwijl S. Paratyphi dan weer pure importpathologie is. Resistentie is ook hier een probleem, empirisch te starten met FQ of ceftriaxone. De non-Typhi salmonellosen zijn dan weer géén indicatie voor AB! Non-Typhi gastro-enteritis is niet te onderscheiden van vele andere pathogenen en kan zowel asymptomatisch of mild tot gecompliceerd verlopen. Klassiek beeld: diarree, nausea, braken, koorts en abdominale krampen. Non-Typhi is meestal zelflimiterend, de koorts verdwijnt na drietal dagen, diaree na 4 tot 10 dagen. Bacteriëmie of andere tekens van invasieve ziekte vereisen wel AB.

 

- Campylobacter species:

Campylobacter enteritis wordt vooral door C. jejuni of C. coli veroorzaakt en is klinisch niet te onderscheiden van Salmonella of Shigella. Er is abdominale pijn of krampen en diarree, soms is er hoge (ril)koorts die de diarree ook kan voorafgaan en een veralgemeend onwelzijn. De ziekte is zelflimiterend en duurt gemiddeld 7 dagen. Ook Campylobacter enteritis is geen indicatie voor antibioticatherapie! De kliniek kan een pseudoappendicitis beeld geven, waarbij de diarree zelfs ontbreekt. Ook colitis kan voorkomen met inbegrip van bloederige diarree. Reactieve arthritis komt voor als laattijdige complicatie, idem dus als Salmonella en Shigella. AB ook enkel bij invasief of ernstig verloop (bv bloederige diarree). Resistentie is een probleem. Clarithro of cipro kan opgestart worden als empirische therapie. Ook andere Campylobacter species veroorzaken diarree, maar deze vormen slechts een hele kleine minderheid: C. upsaliensis en C. lari bijvoorbeeld elk 1%, rest van de species nog veel minder frequent.

 

- Yersinia enterocolitica:

Er zijn 3 voor de mens belangrijke species, Y. pestis (oorzaak van ‘de pest’, geeft geen diarree), Y. enterocolitica en Y. pseudotuberculosis. De laatste twee veroorzaken diarree, waarvan de grote meerderheid veroorzaakt wordt door Y. enterocolitica. Zoönose: contact met varkens en rauw varkensvlees. Klinisch beeld: diarree, abdominale krampen/pijn, koorts; braken is ook mogelijk. Het verloop is evenwel subacuter dan de andere bacteriën: er kan al gauw een of twee weken gepasseerd zijn alvorens er hulp gezocht wordt. Ziekte kan lang aanslepen. Rechterfossapijn (pseudoappendicitis, zeker in afwezigheid van diarree ) kan ook een diagnostisch kenmerk zijn van een yersinose. Keelpijn is frequent een bijkomend symptom (20%). Net zoals bij Shigella kan er nog lang na verdwijnen van de symptomen Yersinia gevonden worden in de stoelgang. Bij kinderen kan bloederige diarree voorkomen, dit beeld wordt minder gezien bij volwassenen. AB behandeling heeft geen invloed op verloop van diarree, enkel de fecale uitscheiding daalt, maar aangezien transmissie van persoon tot persoon zelden voorkomt is dit geen indicatie voor AB. Ook hier enkel voorbehouden voor ernstige invasieve infecties: FQ of ceftriaxone.

 

- Clostridium difficile:

Kenmerkend aan de C. difficile problematiek is voorafgaand antibioticagebruik en waterige diarree (in hospitaalsetting). Naast abdominale pijn of krampen, mogelijk wat lichte koorts en nausea. Slijm- en bloedbijmenging kan ook. Asymptomatisch dragerschap van de kiem is geen zeldzaamheid (in gezondheidsinstellingen tussen de 20 tot 50 procent!). Asymptomatisch dragerschap is geen synoniem van infectie! Enkel te behandelen bij de typische symptomen en klinische context én positieve test. De behandeling bestaat in de eerste plaats uit het stoppen van de uitlokkende antibiotica. Zich enkel baseren op PCR levert het gevaar op van overdiagnostiek en overbehandeling, vandaar de opsplitsing van de aanvraagflow (zie hoger). Binnen de zeven dagen hertesten tijdens eenzelfde periode van diarree of als bewijs van genezing wordt niet aangeraden (feces kan lang positief blijven na genezing). Gevormde stoelgang zou niet getest mogen worden op Clostridium omwille van het frequent asymptomatisch dragerschap en geen behandelingsnood in dit geval, enkele waterige stoelgangstalen zouden getest mogen worden. Detectie van C. difficile betekent niet dat er ook actieve toxineproductie is!

 

- Norovirus:

Norovirus is het belangrijkste darmpathogeen binnen de setting van epidemische gastro-enteritis en dit binnen alle leeftijdsgroepen, zowel binnen als buiten het ziekenhuis. Norovirus is oorzaak van gastro-enteritis-uitbraken op cruiseschepen, in ziekenhuizen, in scholen, op jongerenkampen, op legerkampen… maar het virus is daarnaast ook de belangrijkste oorzaak van sporadische gevallen van infectieuze diarree. In een studie door het Amerikaanse CDC bleek Norovirus verantwoordelijk voor 60% van alle gevallen van acute gastro-enteritis waarbij een pathogeen kon worden gevonden.

Verschillende eigenschappen van het virus verhogen de transmissiekans, zoals het klein inoculum nodig om tot een infectie te komen (<100 virale partikels), de langdurig virusuitscheiding en de goede overleving (dagen) buiten het lichaam. Een onmiddellijke en adequate implementatie van infectiecontrolemaatregelen is de belangrijkste factor om een norovirusuitbraak onder controle te houden of te krijgen. Een norovirusinfectie manifesteert zich vaak als braken en gezien ook de seizoensvoorkeur van het virus werd de infectie vroeger ook wel ‘winter vomiting disease’ genoemd.

Fecale excretie van Norovirus in asymptomatisch geïnfecteerde individuen komt vaak voor, vooral in de pediatrische populatie. Deze asymptomatische excretie heeft diagnostische implicaties: diarree ten gevolge van een andere oorzaak kan bij asymptomatische dragers foutief gediagnosticeerd worden als een norovirusinfectie. Het asymptomatisch dragerschap vormt echter ook een epidemiologisch probleem (voedselverwerkers, stoelgangstransplantatie, gezondheidszorgmedewerkers,…).

De belangrijkste symptomen van een norovirusinfectie zijn nausea, braken, abdominale krampen en diarree. Soms staat diarree meer op de voorgrond dan braken, in andere gevallen is dit omgekeerd. Verder kunnen ook klachten van lethargie, lichte koorts, malaise en hoofdpijn optreden. Bij preterme neonaten kan een norovirusinfectie gepaard gaan met zeer ernstige complicaties zoals een necrotiserende enterocolitis. De incubatieduur bedraagt ongeveer 48 uur en de ziekte duurt typisch niet veel langer dan 24h, met volledig herstel in zowat alle gevallen. De ziekte kent slechts zelden een gecompliceerd verloop.

 

- Rotavirus:

Rotavirus is wereldwijd de belangrijkste oorzaak van ernstige diarree bij zuigelingen en jonge kinderen. Vrijwel elk kind ter wereld krijgt voor de leeftijd van 5 jaar te maken met een rotavirusgastro-enteritis en in veel landen is deze infectie levensbedreigend. Wereldwijd kan ongeveer 5% van alle sterfte bij kinderen jonger dan 5 jaar teruggebracht worden op een rotavirusinfectie. Deze situatie heeft ertoe geleid dat rotavirusvaccins ontwikkeld werden.

Rotavirusinfecties kunnen zowel asymptomatisch als symptomatisch verlopen. De leeftijd is hier de belangrijkste bepalende factor. Door de aanwezigheid van maternele antistoffen ontwikkelen neonaten geïnfecteerd met Rotavirus maar zelden symptomen. Een uitzondering hierop vormen preterme neonaten. Het verdwijnen van deze antistoffen valt samen met de leeftijd van maximale vatbaarheid van jonge kinderen voor een ernstige rotavirusinfectie, zijnde de leeftijd tussen 3 maand en 2 jaar.

Rotavirus re-infectie is mogelijk op elke leeftijdsgroep, maar de ziekte verloopt dan zelden ernstig (zie immuniteit). Een ernstiger verloop wordt vaak geassocieerd met een ongebruikelijke stam of een extreem hoog inoculum. Een re-infectie kan tevens asymptomatisch verlopen.

Asymptomatische dragers vormen zowel een diagnostisch als een epidemiologisch probleem (zie Norovirus).

De meeste symptomatische rotavirusinfecties treden op tussen de leeftijd van 3 maand en 2 jaar, met een piekincidentie tussen 7 en 15 maanden, en deze leeftijdsgroep kent ook het meest ernstige ziekteverloop. Symptomatische infecties en uitbraken komen echter ook voor bij ouderen, vooral in zorginstellingen. Waterdunne diarree is het belangrijkste symptoom van een rotavirusinfectie, aangevuld met braken, koorts en nausea. De incubatieduur bedraagt 2 tot 4 dagen.

 

- Astrovirus:

Astrovirus is een belangrijke oorzaak van pediatrische acute gastro-enteritis: wereldwijd goed voor bijna 10% van alle acute niet-bacteriële gevallen van gastro-enteritis bij kinderen. De infectie komt vooral voor bij kinderen onder de twee jaar, maar de piek spreidt zich uit van zuigelingen tot 5 jaar. De infectie is meestal zelflimiterend. Serologische studies tonen dat de meeste kinderen geïnfecteerd zijn met het virus en in tweede tijd beschermende antistoffen aanmaken tegen het virus. Normaal gezonde volwassen hebben daarom vrijwel geen last van het virus. Een tweede risicogroep voor een astrovirusinfectie zijn ouderen en immuungecompromitteerde patiënten. Bij deze laatste groep kan een astrovirusinfectie zich systemisch verspreiden en ernstig verlopen.

Asymptomatische infecties zijn beschreven bij zowel kinderen als volwassenen, maar de prevalentie van asymptomatisch dragerschap is niet gekend.

De typische astrovirusinfectie verloopt milder dan een rota- of norovirusinfectie. De symptomen bestaan uit milde waterige diarree, braken, koorts, anorexie en abdominale pijn. Braken staat evenwel veel minder op de voorgrond dan bij een rota- of norovirusinfectie. Astrovirus veroorzaakt wereldwijd uitbraken van acute diarree, voornamelijk onder kinderen.

Hoewel een astrovirusinfectie in de regel mild verloopt, kan hospitalisatie toch noodzakelijk zijn.

Systemische infecties worden gezien bij (zwaar) immuungecompromitteerde patiënten. Deze infecties verlopen soms zeer ernstig en zijn potentieel levensbedreigend.

 

- Enterische adenovirussen:

Adenovirussen zijn belangrijke pathogene virussen voor de mens, zowel voor immuuncompetente als immuungecompromitteerde individuen. Het spectrum van klinische beelden is zeer breed. Ze veroorzaken 5 tot 10% van alle virale respiratoire infecties, maar kunnen ook een symptomatische gastro-enteritis veroorzaken. Bij kinderen zijn enterische Adenovirussen een belangrijke oorzaak van gastro-enteritis: in een Australisch onderzoek was het virus verantwoordelijk voor bijna 10% van de ziekenhuisopnames voor gastro-enteritis bij kinderen.

De meeste kinderen worden vroeg in het leven geïnfecteerd met adenovirussen, maar naar alle waarschijnlijkheid resulteert dit in minder dan de helft van de gevallen in een duidelijk ziektebeeld. Adenovirussen zijn in staat om verschillende celtypes te infecteren. Het al dan niet verschijnen van symptomen hangt voor een groot stuk af van het infecterende serotype. De ziektebeelden zijn meestal mild en zelflimiterend, maar kunnen evengoed een dodelijk afloop kennen, ook bij immuuncompetente patiënten.

Adenovirusinfecties variëren van asymptomatisch tot levensbedreigend. Heel wat serotypes kunnen repliceren in de dunne darm, maar enkel de serotypes 40 en 41 worden gelinkt aan gastro-enteritis. Adenovirusgastro-enteritis wordt gedefinieerd als de reproduceerbare aanwezigheid van adenovirus in stoelgang bij patiënten met enteritis en de afwezigheid van andere oorzaken van enteritis.

Adenovirus kan worden teruggevonden in stoelgang bij patiënten zonder klinisch beeld van gastro-enteritis. Asymptomatische uitscheiding van het virus komt dus voor. Daarnaast kan het virus ook zeer lang na een (al dan niet subklinische) primoinfectie aanwezig blijven in de stoelgang.

De typische adenovirusgastro-enteritis presenteert zich als een langdurige diarree (8 tot 12 dagen) bij jonge kinderen.

Gedessimineerde ziekte komt zowel voor bij immuuncompetente als immuungecompromitteerde patiënten. Adenovirusinfecties bij immuungecompromitteerde patiënten (in het bijzonder bij kinderen na allogene stamceltransplantatie) zijn potentieel levensbedreigend.

 

- Sapovirus:

Sapovirus veroorzaakt acute gastro-enteritis op alle leeftijden en zowel sporadische gevallen als uitbraken. Op klinische grond valt een sapovirusinfectie of –uitbraak niet te onderscheiden van een norovirusinfectie of –uitbraak. Sapovirus is het onbekende broertje van norovirus en er wordt dan ook vaak niet aan gedacht als labotesten negatief blijven voor norovirus…

Subklinische (asymptomatische) sapovirusinfectie zijn beschreven bij zowel kinderen als volwassenen. De viral load in feces is bij asymptomatische uitscheiders even hoog als bij patiënten met gastro-enteritis.

De belangrijkste klinische symptomen zijn diarree en braken. Daarnaast komen nausea, buikkrampen, hoofdpijn, rillingen, spierpijn en mailaise ook frequent voor. Net als bij een norovirusinfectie ontwikkelen patiënten weinig of geen koorts. Het verloop van een sapovirusinfectie is in de regel milder dan bij Rotavirus of Norovirus en hospitalisatie is meestal niet noodzakelijk. Bij Norovirus wordt een ernstiger klinisch verloop gezien bij immuungecompromitteerden en premature neonaten, of dit ook het geval is voor Sapovirus is niet gekend.

 

- Entamoeba histolytica:

Oorzaak van amoeben dysenterie. De parasiet komt voor in twee vormen: de trofozoiet (de actieve, delende vorm) en de cystevorm (de slapende fase). Humane infecties beginnen met de ingestie van cysten aanwezig in voedsel of water gecontamineerd met humaan fecaal materiaal. Het klinisch beeld bestaat uit asymptomatische infectie (90% van de gevallen!), diarree, dysenterie en lever-, long- of hersenabcessen. Het is niet bekend waarom slechts 10% van de geïnfecteerde individuen symptomen ontwikkelen en 90% asymptomatisch gekoloniseerd wordt. De cysten kunnen langdurig buiten het lichaam overleven. Het vinden van E. histolytica vereist steeds behandeling (ook bij asymptomatische patiënten, omwille van risico op invasieve infectie en om verspreiding van het pathogeen tegen te gaan). De behandeling bestaat uit metronidazole +/- paromomycine.

 

- Giardia lamblia:

Is een unicellulair eukaryotisch geflagelleerd micro-organisme dat oorzaak is van giardiasis. Het klinisch beeld bestaat uit diarree, hematurie, koorts en anorexie. Ook Giardia kent een cystevorm en een trofozoietenvorm. De cystevorm kan langdurig in de omgeving overleven en zal na ingestie van gecontamineerd water (in mindere mate via gecontamineerd voedsel) ontwikkelen tot trofozoieten (in de proximale dunne darm). De trofozoieten zijn de vegetatieve vorm en vermenigvuldigen zich in de dundarm, waar ze diarree en malabsorptie veroorzaken. De infectie komt vooral voor bij jonge kinderen en reizigers. De behandeling bestaat uit metronidazole.

 

- Cryptosporidium species:

Deze parasiet vormt een globaal probleem en kent een zeer complexe levenscyclus. C. parvum en C. hominis zijn de belangrijkste pathogenen en veroorzaken een kortdurende infectie, die evenwel ernstig en levensbedreigend kan verlopen (kinderen en immuungecompromitteerden – HIV!). Symptomen zijn diarree, koorts en abdominale pijn en is meestal zelflimiterend. De infectie treedt op na ingestie van gecontamineerd voedsel, water of via direct feco-oraal contact. De behandeling is supportief en indien behandeling noodzakelijk is, wordt best behandeld met paromomycine.

 

Interpretatie:

Een positief resultaat duidt op de aanwezigheid van DNA of RNA van het pathogeen.

 

Zowat alle pathogenen in het panel kunnen voorkomen in het kader van asymptomatisch dragerschap (meer info onder ‘klinische informatie’). Het resultaat dient steeds geïnterpreteerd te worden in het licht van de anamnese, het klinisch beeld en het medisch dossier.

 

Resultaten worden als volgt gerapporteerd:

  • Niet gedetecteerd.  
    Zeer zwak signaal.
    Zwak positief.
    Positief.
    Sterk positief.

 

Er is geen absolute relatie tussen de sterkte van het signaal en de ernst van het klinisch beeld: een pathogeen met een zwak signaal kan klinisch onbelangrijk zijn, maar kan evengoed oorzaak zijn van de infectieuze problematiek. De relatie versterkt echter wel naarmate het signaal sterker positief wordt: een positief of sterk positief signaal is compatibel met infectie.

 

Het vinden van micro-organismen in een klinisch staal betekent niet noodzakelijk dat er een causaal verband is met de symptomen bij de patiënt. Zoals uit bovenstaande duidelijk werd, is dit vooral het geval bij acute virale gastro-enteritis. In stoelgangstalen wordt niet zelden meer dan één virus gevonden. Bij ongeveer 6 tot 17% van de kinderen met symptomen van gastro-enteritis worden virale menginfecties gezien. De associatie tussen virus en ziekte is het meest waarschijnlijk voor rotavirus, terwijl dit voor de andere gastro-intestinale virussen minder duidelijk is. Er wordt best ook rekening gehouden met epidemiologische factoren (zoals een uitbraaksetting). De detectie van meer dan één virus lijkt het klinisch verloop echter niet te beïnvloeden en is ook niet gerelateerd aan de ernst van de infectie. Dit alles maakt de laboratoriumdiagnose van virale oorzaken van gastro-enteritis er niet gemakkelijker op. Het juiste oorzakelijke label hangen aan losse gevallen van acute gastro-enteritis kan daarom zeer moeilijk zijn, terwijl het vinden van het oorzakelijk virus bij een uitbraak dan weer snel duidelijk wordt.

 

Terugbetaling:

De testonderdelen die aangerekend kunnen worden aan het RIZIV zijn 552311-552322, 552333-552344, 549835-549846, 550734-550745, 549850-549861, 549872-549883 en 549813-549824.

De kostprijs voor de patiënt of zijn/haar ziekteverzekering bedraagt 15 euro (informed consent!) en verloopt via pseudonomenclatuur voor sapovirusdetectie en astrovirusdetectie.

 

 

Detectielimieten (in genoomkopijen per mL staal):

EHEC:                     16 000

Campylobacter:        8 000

C. difficile:                1 000

Shigella:                   1 000

Salmonella:              1 000

Yersinia:                   1 000

Norovirus:              10 000

Rotavirus:              10 000

Adenovirus:            10 000

Astrovirus:               1 000

Sapovirus:                  100

E. histolytica:              700

Cryposporidium:         100

Giarida lamblia:          100

 

Ter vergelijking: Kweek wordt positief vanaf ongeveer 10 000 CFU/gram.

(bron: Comparison of the Detection Limits of the Culture and PCR Methods for the Detection of Clostridium difficile, Clostridium perfringens, Campylobacter jejuni, and Yersinia enterocolitica in Human Stool – PLOS one, aug 2018)

 

Dr. S. Vervaeke


< Meer nieuws